Sierra Leone staat bol van de muziek. In ieder huis, iedere winkel en iedere taxi schettert een radio, en dus word ik dagelijks getrakteerd op Akon, Afrikaanse highlife, boybands en Celine Dion (ja helaas, de laatste twee zijn hier zelfs bij stoere mannen populair). Als ik mijn eigen gemoedstoestand van het moment aan een muzieknummer zou moeten koppelen, zou de keuze waarschijnlijk vallen op Queen’s “don’t stop me now”. Ik voel me hier op het moment als een vis in het water en heb nog veel werk te verrichten voordat ik – over anderhalve week al – op het vliegtuig naar Nederland stap. De lol die ik in mijn leventje hier heb, wordt overigens waarschijnlijk mede veroorzaakt door het feit dat ik weet dat ik bijna naar huis ga. De minder leuke dingen van het leven hier worden daardoor steeds gemakkelijker te verdragen. Het is niet zo’n ramp dat onze douche het thuis heeft begeven (me de laatste paar weken met emmertjes wassen overleef ik wel), de enorme puinhooop in de keuken ergert me steeds minder (als ik straks troep in huis heb is het in ieder geval mijn eigen rotzooi) en wat is die brandende zon toch heerlijk bij de gedachte dat ik straks terugkeer in een grijs Nederland. En ja, ik kan eindelijk mijn ei kwijt in mijn werk. Meer dan dat, zelfs.

Zoals ik al schreef, heb ik me gestort op een grote aansprakelijkheidskwestie tegen een Chinese suikerfabriek vlakbij Magburaka. Een aantal maanden geleden hebben de Chinezen 30 jongens gecharterd om een groot aantal zakken “kunstmest” te sjouwen, maar in plaats van kunstmest bleek er een verdelgingsmiddel in de zakken te zitten. Beschermingsmateriaal werd niet gegeven en na een paar uurtjes werken zijn alle werknemers bewusteloos geraakt, met spoed naar het ziekenhuis afgevoerd en met het nodige kunst- en vliegwerk weer een beetje opgelapt. Tot op de dag van vandaag hebben die jongens last van enorme hoofdpijn en is hun zicht flink verslechterd, wat op zich niet zo heel verwonderlijk is aangezien ik erachter kwam dat het goedje waaraan ze zijn blootgesteld zo ongeveer het ergste – en in de VS en EU verboden – vergif is dat er op de markt verkrijgbaar is. Als gevolg van de gezondheidsproblemen kunnen de jongens die voorheen naar school gingen niet langer hun opleiding volgen, maar de Chinezen hebben nooit meer naar ze omgekeken. Netjes is anders, en Timap for Justice wil proberen een schadevergoeding los te krijgen. Aangezien de paralegals in Magburaka onvoldoende juridische bagage hebben om een zaak van de grond af aan op te tuigen en de twee advocaten in Freetown tot over hun oren in het werk zitten, pendel ik op en neer tussen Freetown en Magburaka om alle benodigde informatie bij elkaar te schrapen. En in een land zonder enige vorm van administratie en documentatie, waar mensen niet gestikt zijn in hun eerste leugentje en waarin corruptie hoogtij viert, valt dat niet altijd mee. Slachtoffers weten niet wanneer ze geboren zijn (geboorteaktes bestaan niet), aan schriftelijke arbeidsovereenkomsten doen ze niet, de administratie van het ziekenhuis is een zooitje, verhalen van slachtoffers spreken elkaar op essentiële punten tegen en de behandelend arts – die veel geld verdient als huisdokter van de Chinezen – beweert bij hoog en bij laag dat hij geen medische dossiers heeft. Tel daarbij op dat rechtstreekse communicatie met de meeste slachtoffers niet mogelijk is omdat hun Engels ongeveer net zo goed is als mijn Temne en ik dus afhankelijk ben van de vertalerskwaliteiten van paralegal Hassan (heel fijn, heb ik maanden geoefend op het Krio, kom ik terecht in een gebied waar ze de meest onbegrijpelijke taal van het land spreken), en zie daar mijn uitdaging.

En toch geniet ik ervan. Een dag “zitting” houden op een houten bankje in een dorpje van niets om zoveel mogelijk getuigenverklaringen te verzamelen. Grapjes maken met de verpleegkundigen en de apotheker van het plaatselijke ziekenhuis in de hoop dat zij in ieder geval wél wat informatie over de behandeling van de slachtoffers prijsgeven. Naar de plaatselijke copyshop wandelen om daar 2,5 uur op drie kopietjes te moeten wachten omdat de benzine voor de generator op is. Een tussenstop bij de “local court” (lees: een stel wijze mannen die een poging doen tot rechtspreken) naar aanleiding van een cliënt die ’s ochtends kwam binnenwandelen met een “dagvaarding” (lees: een beduimeld briefje), waarbij de rechters meer interesse hebben in mij dan in de zaak die ze behandelen. Het is weer eens iets anders 😉

Ook verder bevalt het leven in Magburaka me prima. Niet een plaats waar ik fulltime zou willen wonen want er is werkelijk niets (geen stroom, geen water, weinig gevarieerd eten: rijst met cassaveblad en koeienbeen hoort bepaald niet tot mijn favorieten…) en het is er bloedverziekend heet, maar ter afwisseling van het hectische Freetown is het heerlijk. Het enige mogelijke uitje is het kijken van de champions league in ongeveer de enige tent met generator, en dus wandel ik eens per week met mijn collega’s naar het plaatselijke “theater”. We zijn niet de enigen. In de zaal ziet het steevast zwart van de mensen (letterlijk en figuurlijk, want veel blanken komen er niet in deze regio) die bovenop elkaar in een te kleine ruimte zitten, en dus ben ik ervan overtuigd dat ik in twee uur bankzitten meer vocht verstook dan de voetballers op het veld. Vergelijk het met een zestig graden sauna, maar dan met kleren en zonder dompelbad. Soms krijg je extra waar voor je entreegeld en staan er tweee schermen opgesteld, waarop twee verschillende wedstrijden worden getoond. Mij is altijd is verteld dat mannen niet kunnen multitasken, maar de meesten blijken toch prima in staat beide wedstrijden tegelijk hardop van commentaar te voorzien. Ik blijk daarentegen een aangeboren aanleg te hebben voor het kijken naar het verkeerde scherm.

Met nog één werkweek te gaan en nog de nodige informatie te verzamelen maak ik waarschijnlijk nog één uitstapje naar Magburaka, maar dan zit het er echt op. Ik zal het gaan missen.

Maar goed, dat betekent natuurlijk niet dat alles hier geweldig is. Een korte bloemlezing uit de dingen uit Nederland die ik hier mis:

1. frisse lucht. En daarmee bedoel ik niet alleen koude lucht, maar ook lucht die niet vergeven is van stof, uitlaatgassen, riooldampen, etensluchtjes, zweet etc. etc.

2. stilte. In Sierra Leone is alles luid. Mensen praten voortdurend én hard, radio’s staan de godganse dag op volume 20, generatoren brommen continu, je hoort altijd wel ergens de ringtone van een mobiele telefoon, auto’s of brommers knetteren voorbij en ga zo maar door.

3. een fatsoenlijk matras. Er zijn hier alleen dunne schuimrubberen exemplaren met kuilen, waardoor je steevast op de uit brede, niet verende planken bestaande lattenbodem slaapt.

4. uitslapen. Wordt verhinderd door een gebrek aan het bovenstaande.

5. ironie en sarcasme. Worden door Sierra Leoners niet begrepen en in het Engels gaat het maken van droge opmerkingen toch net iets lastiger dan in het Nederlands.

6. het 8-uur journaal en een fatsoenlijke krant. Ik heb geen tv en de lokale radio en kranten zijn meer van Story-niveau: veel opinie (“homosexualiteit is schandalig en door God verboden!”), veel sensatie (slachtoffers van ongevallen vol in beeld), nul achtergrond. OK, het is wel weer leuk als de nieuwslezer op de radio zijn luisteraars meldt dat het vandaag de verjaardag is van zijn moeder en dat hij haar daarmee van harte feliciteert.

7. groente (althans, andere groenten dan de aardappel- en cassavebladeren die je hier continu krijgt voorgeschoteld) en zuivelproducten (melk en yoghurt zijn gewoonweg niet te krijgen, kaas is geïmporteerd en dus onbetaalbaar).

8. onopvallend over straat lopen. Ik val hier op, word continu aangesproken en aangestaard en alles wat ik doe wordt hardop van commentaar voorzien.

9. veilig alleen in het donker over straat kunnen. Met name ’s avonds is het in Freetown – zeker als blanke – oppassen geblazen. Alleen over straat lopen is niet verstandig, evenals in je eentje in een taxi stappen. En dus kan ik ’s avonds niet zomaar ergens heen, maar moet ik eerst bekijken of iemand me thuis kan brengen, of er iemand is met wie ik een taxi terug kan nemen of bij wie ik kan blijven logeren.

10. familie en vrienden. Ik heb absoluut geen last van heimwee en heb hier veel leuke contacten, maar gewoon even in het Nederlands stoom kunnen afblazen bij mensen die precies begrijpen wat ik bedoel, zou soms erg lekker zijn.

Ondanks al het bovenstaande kijk ik nog niet met smart uit naar het moment waarop ik op Schiphol arriveer. Er zijn ook genoeg dingen aan Sierra Leone die ik zal missen.

1. de mensen. Ik zat vroeger als we vertrokken van vakantie al huilend op de achterbank omdat ik niet goed was in afscheid nemen, en dat is in de loop der jaren nauwelijks beter geworden. Ik zie nu al op tegen het afscheid van mijn vrienden, collega’s en bekenden hier (snel rijk worden? Koop nu aandelen Kleenex!). Maar ook zal ik Sierra Leoners en hun manier van leven in het algemeen missen. Ze doen van alles waarop je in Nederland raar wordt aangekeken: je ongegeneerd aanstaren, je na een eerste begroeting ten huwelijk vragen, hardop zingen, midden op straat dansen, zich met alle gebeurtenissen bemoeien, in het openbaar keihard bekvechten. Soms heel vermoeiend, maar je nergens iets van aantrekken heeft ook zo z’n charmes. Ik betrapte mezelf er vanochtend op dat ik in de taxi hardop zat mee te zingen met de radio: waarschuw me alsjeblieft als ik straks iets doe wat absoluut niet kan 😉

2. het weer. Het is heerlijk om ’s ochtends niet naar buiten te hoeven kijken wat voor weer het is, omdat het altijd warm genoeg is voor een rokje en mouwloos shirtje.

3. de natuur buiten Freetown: blauwe luchten, groene palmbomen, rode aarde, witte zandstranden: ik leef hier in een ansichtkaart.

4. het buiten leven. Het leven speelt zich 24 uur per dag buiten op straat af. Kinderen spelen buiten, de kapster draait in de schaduw van een boom vlechtjes in het haar van haar klant, verkopers voeren buiten hun handel. Niets geflikker van tvschermen en gesloten gordijnen: ’s avonds gaan de kerosinelichtjes aan en gaat alles onverkort door.

5. de stranden. Het is dat de gemiddelde toerist nog niet klaar is voor vakantie in Sierra Leone (en Salone ook nog niet klaar is voor de gemiddelde toerist), maar de stranden zijn geweldig. Wit zand, palmbomen, warm kristalhelder water. Beachvolleyballen in Scheveningen is leuk, maar valt in het niet bij de wedstrijdjes die ik hier op zondagmiddagen speel.

6. vers fruit. Anders dan hier, kan ik in Den Haag geen mango’s en bananen uit eigen tuin eten. Mango’s voor 10 cent, gigantische papaya’s voor een kwartje en ananassen voor een halve euro: ik raak er niet op uitgekeken.

7. alle mooie, bizarre en grappige gebeurtenissen op straat. Prachtige namen als “health is wealth” apotheek, het café “don’t mind your wife“ en bussen met het opschrift “I will thank my maker when I have breath” of “belive in God” (en dat is geen typefout van mij). Het volledige gebrek aan logica (of wellicht begrijp ik de Afrikaanse logica gewoon niet). Taxi’s waarvan het raam alleen kan worden opengedraaid als de chauffeur het “draaimechanisme” van zijn eigen deur heeft gesloopt en hem in een andere deur heeft gemonteerd. Een motor die alleen start als de berijder in het contactslot heeft gespuugd. Een kindje dat met één banaan op het hoofd naar school wandelt. Het georganiseerde Nederland heeft zo zijn voordelen, maar is ook saaier.

8. de eenvoud van het leven hier. Het heeft wel wat om van tevoren niet te weten of er water uit de kraan komt, of je stroom hebt om je telefoon op te laden, dat er geen supermarkten zijn waarin alles te koop is en dat je dus voor je avondmaaltijd vier verschillende stalletjes af moet, dat je pas kunt koken wanneer je een vuurtje op gang hebt, dat je ’s avonds weinig meer kunt doen dan praten over dingen die je bezig houden omdat het te donker is om te lezen.

9. alles kunnen kopen uit het raam van een taxi of bus. Zie je iemand langskomen met iets wat je wilt hebben, dan roep je gewoon heel hard “tsssss!”, waarop de verkoper met het voertuig meerent totdat hij je heeft overhandigd wat je hebben wilt en je het wisselgeld heeft teruggegeven.

10. het avontuur. Het is af en toe vreselijk vermoeiend, maar ook spannend om te leven in een land dat zo compleet anders is dan ik gewend ben. In een bus stappen in de hoop dat de chauffeur eraan denkt je eruit te zetten in de plaats waar je moet zijn (zelf heb ik geen idee waar ik heen moet), achterop een motortaxi stappen (aan helmen doen ze niet) en verwoede pogingen doen niet van de zitting af te hobbelen en mijn rok niet al te onfatsoenlijk op te laten waaien. Stranden in het uiterste oosten van Freetown (ik woon zelf in het westelijke deel), erachter komen dat er om onverklaarbare redenen geen taxi’s rijden en net op het moment dat ik uit pure ellende besluit een motortaxi te nemen (wat gelet op het verkeer in dit deel van de stad gelijk staat aan zelfmoord plegen) een lift scoren van een vriendelijke bejaarde Sierra Leoner.

Maar goed, als ik een rijtje moet maken met dingen aan Sierra Leone die ik niet zal missen, komen daarin ook de mensen (althans, sommigen dan), het weer en de eenvoud van het leven hier voor. Warmte is leuk, maar ik snak soms naar kippenvel (gisterenavond was het in mijn kamer 34 graden: welterusten…). Ik word er af en toe doodmoe van dat iedereen zich met me bemoeit, dat afspraken niet worden nageleefd, dat simpele gebeurtenissen uit het niets ontaarden in schreeuwpartijen. Het heeft ook wel wat om na een vermoeiende werkdag de Albert Heijn in te wandelen waar je alles kunt krijgen, een altijd warme douche te kunnen nemen en je vervolgens voor een altijd werkende tv te kunnen nestelen.

Kortom: als ik straks terugkeer is het met gemengde gevoelens. Het lijkt me best lekker me weer te kunnen wentelen in mijn vertrouwde, luxe Nederlandse leventje, maar ben tegelijkertijd bang dat dat leven in het begin even niet zo vertrouwd aanvoelt. Toen ik terugkwam uit Ghana moest ik verschrikkelijk wennen aan de Nederlandse kou, luxe en hectiek en had ik enorme moeite met het materialisme. Ik hoop dat ik me dit keer sneller thuis voel.

Maar goed, eerst nog anderhalve week genieten van Afrika en alle rariteiten die daarbij horen. Hierbij weer een aflevering van de rubriek “Heel gewoon in Sweet Salone”.

– dat dit land niet bekend staat om zijn geweldige gezondheidszorg, mag bekend zijn. Onlangs moest ik voor een van mijn huisgenootjes een antibioticakuurtje halen bij de apotheek (dat kan hier overigens gewoon zonder recept). De apotheker meldde me dat ze een week lang drie tabletten per dag moest innemen. Onderweg naar huis bestudeerde ik de verpakking, waarop het advies stond vijf dagen lang twee tabletten per dag te slikken. Toch maar even terug naar de apotheek, waar ik de apotheker wees op het voorschrift van de fabrikant. “Yes, but this is Africa”, luidde het laconieke antwoord. Mijn huisgenootje is overigens inmiddels opgeknapt.

– In Magburaka heb ik nogal wat tijd doorgebracht in het plaatselijke ziekenhuis om informatie te verzamelen voor mijn zaak. Er is daar één arts, die regelmatig op pad is voor seminars en cursussen. Heb je de pech ziek te worden als de arts afwezig is, dan moet je door naar het ziekenhuis in het eerstvolgende stadje, zo’n 40 minuten rijden. Niet prettig, als je bijvoorbeeld met bevallingscomplicaties een eind achterop op de motor moet voor medische hulp… Stroom is er ook in het ziekenhuis niet, hoewel er wel een generatortje aangaat als er een operatie moet worden uitgevoerd. Eten wordt niet door het ziekenhuis bereid, maar meegebracht door familieleden, die slapen in of onder het bed van de zieken. Het ziekenhuis is geen afgesloten gebouw zoals we dat in Nederland gewend zijn, maar bestaat uit een paar open, betonnen paden met her en der een ziekenzaal of operatiezaal. Zoals overal lopen er ook op het ziekenhuisterrein nogal wat dieren rond. Van de week zag ik hoe een eigenwijze geit, die met een verpleegkundige mee naar binnen was gewandeld, de operatiezaal werd uitgeschopt.

– Sierra Leoners zijn nogal heetgebakerd. Uit het niets kunnen er enorme discussies ontstaan, waarmee iedereen zich met het nodige geschreeuw bemoeit. Net als ik denk dat zo’n woordenwisseling gaat ontaarden in een flinke vechtpartij, slaat iedereen elkaar lachend op de schouders en gaat iedereen zijn eigen weg.

– De Sierra Leoonse logica ontgaat mij soms. Afgelopen vrijdag reisde ik per gedeelde taxi terug van Magburaka naar Freetown. De taxi’s vertrekken als ze vol zijn (en met vol bedoel ik dan ook echt vol). Ik had geluk: mijn taxi was bijna gevuld en kon snel vertrekken. Tot mijn verbazing sloegen we niet de weg naar Freetown in, maar gingen we precies de andere kant op. Het bleek bijna tijd te zijn voor het vrijdagmiddaggebed, en één van de passagiers wilde naar de moskee. Dat betekende dat de overige 9 passagiers en chauffeur zo’n 45 minuten moesten wachten voordat het gebed was afgerond. Het leek mij persoonlijk logischer als deze man met een volgende taxi was gereisd, maar heb me maar in de schaduw van een mangoboom op een bankje geïnstalleeerd. Ik kon een grijns niet onderdrukken toen ik me bedacht dat waarschijnlijk op hetzelfde moment een groot aantal gestresste forenzen op een NS station stonden te vloeken omdat hun trein 3 minuten vertraagd was…

– Als je aan het Sierra Leoonse verkeer wilt deelnemen, moet je met de nodige doodsverachting on het leven staan. Chauffeurs halen op de meest onmogelijke momenten in en voertuigen lijken ieder moment uit elkaar te kunnen vallen. Vorige week reisde ik terug naar Freetown met een taxi waaraan alles rammelde. Halverwege zette de chauffeur de auto langs de kant, dook onder de motorkap, haalde er een onderdeel uit en legde het in de kofferbak. Niemand leek zich ergens zorgen over te maken. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat alle onderdelen in een motor ook echt nodig zijn om een auto te laten rijden, maar ben toch heelhuids in Freetown aangekomen.

– Zonder ongelukken arriveren is niet voor iedereen weggelegd. Onderweg zie ik vaak de restanten van verkeersongelukken (autowrakken blijven hier langs de kant van de weg liggen tot ze uit elkaar zijn gesloopt door iedereen die de onderdelen kan gebruiken). Om het ongevallenpercentage wat terug te dringen had de Sierra Leoonse overheid een aantal maanden geleden in een gevaarlijke bocht in de weg “kattenogen” (van die reflectoren die oplichten door de koplampen) aangebracht. Het was voor het eerst dat die dingen in Salone werden geïntroduceerd, en waarschijnlijk was het ook een eenmalig experiment. Een aantal Sierra Leoners heeft de reflectoren stuk voor stuk uit het wegdek gesloopt, om er vermoedelijk thuis achter te komen dat het geen gewone lampen waren…

– Gelet op de staat van de meeste voertuigen, komt autopech nogal regelmatig voor. Vluchtstroken zijn er niet en zouden waarschijnlijk ook niet gebruikt worden als ze er wél waren. De bestuurder laat zijn kapotte auto precies daar staan waar hij ermee opgehouden is. Op een heuvel, midden in een gevaarlijke bocht, het maakt allemaal niets uit. Bij wijze van gevarendriehoek worden wat graspollen of kluiten aarde op de weg gelegd en de bestuurder kruipt doodgemoedeerd onder zijn auto om het ding weer aan de praat te krijgen.

– Aangezien de meeste mensen niet beschikken over een koelkast (of dat ding het anders sowieso niet doet bij gebrek aan stroom), kiezen veel Sierra Leoners ervoor om vlees in te slaan terwijl het nog leeft. Vooral kippen zijn in het noorden van het land flink wat goedkoper dan in Freetown, en dus nemen veel mensen levende kippen mee naar Freetown. Vaak worden die beesten in een plastic zakje gestopt, dat halfslachtig wordt dichtgebonden om te voorkomen dat de kippen onderweg het loodje leggen. En dat betekent dat er tussen de bagage die in de bus of taxi geladen moet worden meestal een stuk of wat plastic zakjes op straat staan, die af en toe een stukje de lucht in vliegen en weer op straat smakken.

– Voor veel Afrikanen blijkt het hoofd de gemakkelijkste manier te zijn om bagage te vervoeren. Dat blijkt ook zo te werken voor de plaatselijke verhuisservice van Magburaka. Niets grote vrachtwagens: vorige week zag ik daar een compleet bankstel voorbij wandelen. Onder de driezitsbank en twee fauteuils zag ik nog net twee benen uitpiepen.

– Ik ben niet zo’n enorme fotograaf en heb er soms wat moeite mee om als rijke toerist mijn fototoestel te trekken, maar soms zou ik willen dat ik ongemerkt plaatjes kon schieten. Want hoe leg je uit dat je een motor ziet langsrijden waarop behalve de bestuurder drie passagiers zitten, waarvan er twee een geit op schoot hebben?

– Met name in Freetown wemelt het van de bedelaars. Bejaarden, blinden, mensen zonder armen, mensen met kromgegroeide benen, kleine kinderen, u roept maar: op iedere hoek van de straat liggen ze voor het oprapen en in het weekend op het strand komen ze in optocht voorbij. Het klinkt heel hard, maar soms ben ik blij met de strandtentjes waarbij bewakers met wapenstokken bedelaars wat op afstand houden. Natuurlijk wil ik mensen die echt hulp nodig hebben graag helpen, maar eerlijk waar: ik kan hier mijn volledige maandsalaris uitgeven en dan nog doe ik 75% tekort. Er is geen beginnen aan! En bovendien is het niet altijd gemakkelijk uit te vogelen wie er echt hulp nodig heeft. Het bedelen is hier een economie op zich. Op de hoek van mijn straat zit dagelijks een oude dame te bedelen, die zich wel per taxi naar haar vaste bedellocatie laat vervoeren. In het centrum van Freetown zitten tientallen oorlogsgewonden die na de oorlog wel een arm- of beenprothese hebben gekregen, maar die niet gebruiken omdat bedelen meer oplevert dan een simpel baantje.

– Maar bedelen is niet voorbehouden aan “echte” bedelaars. Bijna iedereen wil wel iets van me hebben. De meeste Sierra Leoners in mijn omgeving weten inmiddels dat ik er weinig voor voel om als Sinterklaas rond te wandelen, maar sommigen zijn erg creatief. Onze guard Abdul vroeg me regelmatig om geld voor medicijnen, om zijn familie in het noorden te bellen, om de ziekenhuisrekening van zijn moeder te betalen, etc. etc. etc. Ik heb hem verschillende keren uitgelegd dat ik hier niets verdien en dus ook niet veel geld heb, en daarna bleef het een tijdje rustig. Totdat hij me een paar weken terug weer aanklampte voor “hulp”. Op mijn mededeling dat hij toch wist dat ik ook niet veel geld had luidde het briljante antwoord “ja, maar ik wil ook geen geld, ik wil een mobiele telefoon”.

De verbinding blijkt vandaag wat te traag voor het plaatsen van een paar nieuwe foto’s, dus die houden jullie van me tegoed. Ik meld me waarschijnlijk nog één keer met een slotpleidooi, maar aangezien ik de dagen totaan mijn vertrek tot over mijn oren in het werk zit, volgt dat waarschijnlijk pas na 12 maart. Dank voor al jullie lieve mailtjes, smsjes, berichtjes en andersoortige steun in het afgelopen half jaar. Ik had het soms nodig. Hopelijk kan ik ook op jullie rekenen als ik me in Nederland verdwaasd afvraag waarom het zo koud is, waarom er geen kleine zwarte zwaaiende kindjes langs de kant van de weg staan en waar ik in de Albert Heijn de casave en plantain kan vinden 😉