Het is bijna kerst. Terwijl jullie in Nederland ongetwijfeld worden doodgegooid met Wham’s “Last Christmas” en – o horror – Mariah Carey met “All I want for Christmas is you” slaat ook hier de kerstkoorts toe. Niet zozeer bij mij (kerst gaat voor mijn gevoel niet samen met zon en 33 graden), maar alle straatverkopers proberen gekleurde kerstlichtjes en kitscherige plastic kerstballen te slijten, de plaatselijke supermarkt heeft een grote zwarte (!) kerstman op het dak geplaatst, de meestgedraaide kerstsingle hier is “Let it snow” (geestig gelet op de eerder genoemde 33 graden) en mijn favoriete groenteverkoopster had vanochtend een gouden slingertje naast haar worteltjes liggen. Merry Christmas.

In het kader van de kerstgedachte trakteer ik jullie deze keer op wat filosofische beschouwingen over mijn leven hier. Degenen die alleen geïnteresseerd zijn in anekdotes moet ik teleurstellen, maar die komen vast een volgende keer weer aan hun trekken.

Soms is het leven in Sierra Leone geweldig. Ik geniet van de imam die me om kwart over vijf wekt met zijn gebedsoproep. Ik grinnik om het slingerende busje met kapotte ramen waaruit aan alle kanten armen en tassen steken, maar dat wel de naam “luxury tours” draagt. Ik neem rustig de tijd om af te dingen als ik iets wil kopen. Ik lach als een moeder met drie kinderen zich op één zitplaats in de taxi probeert te wurmen. Ik zie er de humor wel van in als zelfs de organisatoren van een bijeenkomst die volgens de uitnodiging om “11 uur precies” begint vijf kwartier te laat arriveren. Ik ga maar even kletsen met collega’s als de internetverbinding er voor de zevende keer in een uur uitknalt. Ik haal grinnikend mijn schouders op als het restaurantje waar ik neerstrijk weer niets heeft van alle lekkere gerechten die op de kaart staan, maar me alleen rijst met cassavebladeren en een vissenkop kan aanbieden. Ik geniet van kindjes die dansen op straat en neurie vrolijk mee. Ik maak gezellig een praatje met iedereen die me aanspreekt en vertel ze geduldig dat het geld in Nederland ook echt niet aan de bomen groeit. Ik geniet van de Afrikaanse beats die opstijgen uit de tuin van de buurman: het lijkt wel of er iedere avond ergens feest wordt gevierd.

Maar soms is het leven hier ook geweldig frustrerend. Ik word horendol van het gebler van de imam, die me op een belachelijk tijdstip wekt (neem zangles of houd alsjeblieft je muil!). Ik scheld op de podapoda chauffeur die me bijna van mijn sokken rijdt. Ik word kriegel als een verkoper me drie keer de normale prijs afhandig probeert te maken. Ik vraag me af of die moeder nu echt geen 20 cent kan betalen voor een extra plek in de taxi: het is 33 graden en dus veel te warm om als sardientjes ingeblikt te zitten. Ik zucht als ik probeer in te schatten hoeveel uur ik sinds mijn aankomst hier al wachtend heb doorgebracht. Ik raak geïrriteerd als de internetverbinding er voor de zevende keer in een uur uitknalt: hoe kan ik nu mijn werk doen als de faciliteiten er niet naar zijn? Ik vraag me af waarom restaurants in godsnaam allerlei gerechten op de kaart zetten als ze de ingrediënten toch nooit in huis hebben. Ik verkoop de kindjes die als een zwaan-kleef-aan achter me aanlopen het liefst een oplawaai. Ik word gek van het eeuwige “white girl, how are you”, en heb ik *$&%^”^& een bordje “wereldbank” of “geldautomaat” omhangen?! En Afrikaanse muziek is leuk, maar niet om middernacht als ik de volgende dag weer om half zeven moet opstaan.

Kortom: soms geniet ik van mijn verblijf hier, soms vraag ik me af wat ik hier in godsnaam doe. Maar dat zal voor mijn Sierra Leoonse vrienden en collega’s niet anders zijn. Zoals ik soms niets begrijp van de gewoontes hier, zullen zij regelmatig met verbazing kijken naar mijn reactie op voor hen doodnormale dingen. Bedenk je dat er al verschillen zijn tussen Limburgers en Friezen, en je kunt je voorstellen hoe groot soms het cultuurverschil tussen een Nederlandse en een Sierra Leoner is. Die verschillen zijn vaak interessant en leiden tot humoristische situaties, maar zijn soms ook irritant en een enkele keer begrijp ik niets van de manier waarop mensen hier denken. En wederom: ongetwijfeld vice versa.

Hoewel ik me soms groen en geel erger, probeer ik me altijd voor ogen te houden dat ik hier te gast ben en probeer ik dus zo min mogelijk mijn visie op te dringen. Nu ik hier een tijdje rondloop geef ik natuurlijk adviezen over zaken die naar mijn idee anders of beter kunnen, maar ik ben en blijf de buitenstaander. Sommige zaken zouden inderdaad beter geregeld kunnen worden, maar soms sla ik de plank ook faliekant mis. Simpelweg omdat ik geen volledig zicht heb op de cultuur en zienswijze van mensen hier. Ideeën die in Nederland een doorslaand succes zouden zijn, leiden hier wellicht tot niets. De grootste valkuil waar je naar mijn idee als goedbedoelende hulpverlener in kunt vallen, is je eigen normen, waarden en ideeën opleggen aan een volstrekt andere samenleving. En helaas gaat dat in “hulpverleningsland” regelmatig mis.

In één van de armste landen ter wereld, schieten hulporganisaties als paddenstoelen uit de grond. Een groot aantal daarvan is westers en onderneemt activiteiten die naar westerse maatstaven erg noodzakelijk zijn. Zien we op de tv dat duizenden kinderen per jaar overlijden aan malaria? Dan sturen we een NGO op pad om muskietennetten uit te delen. Heel belangrijk, maar voor de bevolking is honger urgenter dan malaria, en dus worden de klamboes als visnetten gebruikt. Is tyfus een groot probleem? De westerse hulporganisatie bouwt met alle liefde een stel toiletten, die vervolgens door de mensen niet worden gebruikt omdat ze al jaren hun behoefte doen op een poepveldje. Het schoolgebouw dat vijf jaar geleden door een stel blanke idealisten is gebouwd, staat op instorten door een gebrek aan onderhoud. Wat wij in het westen vooruitgang vinden, betekent niet noodzakelijkerwijs ook een verbetering voor de Afrikanen die wij zo graag willen helpen.

Hoe gefrustreerd ik soms ook raak van mijn werk (of eigenlijk: het gebrek daaraan), het uitgangspunt van “mijn” organisatie is goed. ENCISS levert geen hulp in natura. Ze slaat geen waterputten, organiseert geen sportdagen en deelt geen condooms uit. ENCISS werkt met de mensen in de communities, praat met hen om uit te vinden wat de problemen zijn en probeert mensen die capaciteiten bij te brengen die ze nodig hebben om zelf actie te ondernemen. Zoals onze directeur het graag uitdrukt: “wij leveren niet de hardware, maar de software waarmee de samenleving aan de slag kan”. En dat werkt. De afgelopen week heb ik doorgebracht op Bonthe Island in het zuidoosten van Sierra Leone. Op het eiland wonen volgens zeggen (maar dat soort schattingen is vaak bijzonder onbetrouwbaar…) zo’n 6000 mensen en het lijkt erop of de tijd er heeft stilgestaan. Belangrijkste inkomstenbron is de visserij, het eiland is bebouwd met prachtige maar vervallen gebouwen die doen denken aan beter tijden (het eiland was tijdens het koloniale regime erg welvarend) en auto’s zijn er niet. Zo pittoresk als het eruitziet, zo groot bleken de onderhuidse spanningen tussen de Bonthenaren. En dus organiseerde ENCISS een “Bonthe Dialogue” om uit te vinden wat de voornaamste problemen zijn en om mensen samen te laten nadenken over de toekomst. Dat werkte. Conflicten werden uitgepraat en er werden mooie plannen gemaakt waarmee de bevolking het eiland weer net zo welvarend wil maken als voorheen. Nu maar hopen dat er aan die mooie plannen ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven…

Blog Image

Ik denk hier regelmatig aan de uitdrukking van Loesje “in een dwarsstraat kom je vaak de mooiste dingen tegen”. Sierra Leone is ontegenzeggelijk een dwarsstraat en mooie dingen zie ik zonder meer. Dorpelingen doen gezamenlijk de was in een beekje, terwijl het kroost vrolijk rondspettert. Vrouwen bereiden in de schemering hun avondmaaltijd op een houtskoolvuurtje. Er rijdt een busje voorbij waarvan het dak is volgeladen met rieten manden, waarop drie mannen gevaarlijk balanceren. Ik houd van die eenvoud, maar realiseer me ook dat dat alles een keerzijde heeft. Het water waarin de was wordt gedaan, dient vaak tegelijkertijd ook als openbaar toilet en als bron van drinkwater, met tyfus als gevolg. Eén op de vier spelende kindjes gaat voor zijn vijfde jaar dood aan een ziekte of honger. Houtskoolvuurtjes zijn romantisch, maar uit brandwondtechnisch oogpunt is een gasfornuis toch echt veiliger. De kans is aanzienlijk dat op zijn minst één van de mannen van het dak van het busje lazert als de chauffeur moet uitwijken voor een overstekende geit of een kuil in het wegdek over het hoofd ziet, en gelet op de medische faciliteiten hier is dat geen prettig vooruitzicht.

Waarschijnlijk houd ik vooral zo van de eenvoud en “ontberingen” van Afrika omdat ik weet dat het voor mij tijdelijk is. Ik haal mijn schouders op als ik me moet wassen met een emmer water waarin wat vreemde beestjes zwemmen, omdat ik weet dat ik als ik weer in Nederland ben op elk moment van de dag een schone douche kan nemen. Ik vind een diner bij kaarslicht bij gebrek aan stroom wel romantisch. Ik weet dat ik als ik ziek word in het ergste geval het vliegtuig kan nemen naar een land waar de medische faciliteiten wél op orde zijn. Ik geniet van de zon, de muziek en de lachende mensen. Maar dat alles in de wetenschap dat ik straks weer naar huis ga. Voor de mensen in mijn omgeving is het leven hier de dagelijkse realiteit. De vrouwen hier lopen over zes maanden nog steeds kilometers naar de dichtstbijzijnde waterbron. Schrobben hun handen kapot terwijl ze de was doen. Gaan ingeval van ziekte wellicht dood omdat het geld voor een behandeling of medicijnen ontbreekt. Mannen lopen nog steeds de hele dag langs de straten in de hoop hun koopwaar te slijten aan voorbijgangers. En hoewel die gedachte mij soms droevig stemt, lacht het hele land zich kapot. Er hoeft maar iets te gebeuren of iedereen giert het uit van het lachen. Maar of dat betekent dat mensen ook écht plezier hebben, durf ik niet te zeggen. Hoe gelukkig ben je als je de hele dag in uitlaatgassen loopt in de hoop 50 cent te verdienen met de verkoop van zonnebrillen? Hoe blij kun je zijn als je in drie jaar tijd twee kinderen hebt begraven? Hoe echt is de opgewektheid als je je zorgen maakt of je je ’s avonds wel een fatsoenlijke maaltijd kunt veroorloven? Maar tegelijkertijd: is de Nederlander met zijn dure auto en huis met tuin en schutting wel echt gelukkig? Ik kan het je niet vertellen.

Ben ik hier gelukkig? Soms wel en soms niet. Ik voel me enorm bevoorrecht als de dorpelingen van een klein dorpje bij onze aankomst beginnen te zingen en dansen. Als ik de enige blanke ben bij een Afrikaans feest en iedereen begint te joelen als ik de dansvloer oploop. Als er voorafgaand aan een lange reis gezamenlijk wordt gebeden (vooral ook geestig als de vrijwillige voorganger in het gebed een spraakgebrek heeft en heel enthousiast “let us play” roept). Als kleine kinderen me eerst wat behoedzaam aanstaren, maar vervolgens hun angst overwinnen en voorzichtig mijn huid en haar komen aanraken. Als ik een bijeenkomst met 40 geagiteerde Sierra Leoners in goede banen weet te leiden. Als het niet uitmaakt dat ik mijn zaklamp ben vergeten, omdat de maan ’s avonds voor genoeg licht zorgt om te zien waar ik loop. Maar de achtbaan van emoties slaat ook wel eens de andere kant uit. Ik voel me een Englishman in New York als ik na een lange dag reizen doodmoe aankom op de plaats van bestemming, en mijn collega’s drie kwartier verhit discussieren over de vraag in welk guesthouse we gaan slapen. Als ik terugkom van een week reizen en mijn achtergebleven collega’s niet vragen hoe mijn verblijf was, maar wat ik voor ze heb meegenomen. Als ik moe ben en mijn collega “go there”, “hold this” of “do that” naar me brult (iemand iets vragen past niet binnen de cultuur hier en het Krio kent geen echt woord voor alsjeblieft). Als ik ben geveld door een keelontsteking met flinke koorts en de stroom uitvalt, zodat mijn ventilator ermee ophoudt. Als ik erachter kom dat een of andere onverlaat de horren van mijn kamer kapot heeft gesneden, al mijn bezittingen die voor het grijpen lagen heeft doorzocht en er met de opladers van mijn camera en MP3-speler vandoor is gegaan. Als de vergadering aan de hand waarvan ik wil beoordelen of ik binnen deze organisatie het werk kan doen wat ik wil doen wéér niet doorgaat omdat alle betrokkenen ineens verdwenen zijn.

Hoe dol ik vaak ook op Afrika ben, soms wordt het even te veel. In de weekends bouw ik dan ook regelmatig met mijn huisgenootjes een oplaadmoment in. We geven een fortuin uit aan chocolade, chips en ananassap en installeren ons met oude Cosmopolitans op de veranda. Het is soms heerlijk om je even af te sluiten van de wereld om je heen en te discussieren over de vraag of Suri wel écht de dochter is van Tom Cruise en of leggings nu wel of niet hip zijn. Maar het lijkt erop dat mijn interne batterij niet van Duracell-kwaliteit is: na een oplaadmomentje kan hij steeds minder lang mee. Ik ben dan ook blij dat ik me hierbij voor een dikke drie weken kan afmelden: vrijdagnacht landen mijn ouders en zus in Freetown en trekken we gezamenlijk het land in. Kerst onder een palmboom, nieuwjaar onder de Afrikaanse sterrenhemel: zalig. Hele fijne feestdagen en tot in 2009!

Nieuwe foto’s zijn te vinden op http://fotos.jojannekeinafrika.nl/#2.11.