Een tragische mededeling voor iedereen die hoopte dat ik na Sierra Leone voorgoed verlost zou zijn van mijn Afrika-verslaving: mijn liefde voor dit continent is na een weekje buiten Freetown weer in volle kracht aangewakkerd. Vergelijk het met een fout vriendje: je weet dat hij niet goed voor je is, baalt soms als een stekker van hem, begrijpt af en toe niets van zijn rare acties, maar tegelijkertijd is ‘ie ook zo wezenloos aantrekkelijk en voel je je er soms zo goed bij. Afrika en Jojanneke: het zal wel een soort haat-liefde verhouding blijven.

Wat ben ik blij dat ik een carriereswitch heb gemaakt! Ik heb het idee dat ik in drie weken Timap for Justice al meer heb gedaan dan in de voorgaande vier maanden ENCISS. Ik heb het gevoel dat ik iets nuttigs doe en doe daarbij ook nog eens precies wat ik leuk vind: juridisch uitpluiswerk (met een exotisch tintje, in dit geval, want van de Workmen’s Compensation Act 1965 wist ik nog vrij weinig…).

De eerste week heb ik doorgebracht op het hoofdkantoor in Freetown, waar ik me heb ingelezen in de “suikerfabriekzaak” waarop ze me willen gaan inzetten. Simeon, één van de twee advocaten van Timap, wil snel een vuist maken tegen de Chinese eigenaren om duidelijk te maken dat ze niet boven de wet staan. Aan mij de taak om uit te zoeken waarmee dat dat het beste kan. Vooralsnog heb ik me gestort op een aantal arbeidsongevallen om te kijken of we daarmee iets kunnen. Af en toe verdwijnen er wat handen in machines en een aantal maanden geleden zijn er een stuk of wat personeelsleden bewusteloos geraakt toen de zakken “kunstmest” die ze met blote handen moesten laden geen kunstmest bleken, maar een chemisch pesticide. Ik heb uitgevogeld welke informatie we hebben, wat er nog ontbreekt, en ben vervolgens op de bus gestapt naar Magburaka om de benodigde informatie ter plekke te verzamelen. Dit keer geen luxe ritje in een airconditioned NGO landcruiser: de hele organisatie beschikt over één auto die meestal wordt ingezet om de advocaten naar zittingen in het land te rijden, en om geld te besparen (heel verfrissend, na alle geldsmijterij die ik in de NGO-wereld heb gezien) wordt er veel per openbaar vervoer gereisd.

Ik moest me dus om half zes ’s ochtends (!) op het busstation melden voor de bus naar het noorden. Nu ben ik best iets gewend qua Afrikaans openbaar vervoer, maar deze busrit gaf weer een heel nieuwe lading aan het begrip “oncomfortabel”. Neem in gedachten een mediumformaat bus waarvan de APK allang verstreken is, die vervolgens over zijn kant naar Afrika lijkt te zijn gerold, waar de banken een halve meter dichter op de bank ervóór zijn gelast zodat er twee rijen extra in kunnen en die vervolgens voller dan vol wordt gepropt met mensen en bagage. Voor het bankje dat duidelijk voor vier personen is afgestemd werden zeven kaartjes verkocht, zodat er nog maar voor 1,5 bil ruimte was. Helaas heb ik er toch echt twee, zodat een deel van mijn achterwerk – onder groot protest van mijn spieren – de reis in het luchtledige heeft gezweefd. Maar goed, ik mocht niet klagen: op de eerste rij zaten negen mensen: er blijkt namelijk best iemand op de versnellingsbak te kunnen zitten (bij voorkeur iemand die er geen bezwaar tegen heeft als de chauffeur bij het schakelen af en toe in zijn kruis grijpt), en ook links van de chauffeur past nog een passagier als hij met één bil uit het raam hangt. Twee passagiers op het dashboard met hun rug in de rijrichting, en karren maar. Bij iedere stop werd de bus belaagd door zelfbenoemde geestelijken die ons – uiteraard in de hoop op betaling – verblijdden met een gebed om een veilige reis, en die gebeden heb ik dankbaar aangehoord. Iedere hulp op een behouden vaart leek me welkom…

Magburaka heeft alles van het Afrika waar ik van hou. Stoffige wegen, vriendelijke mensen, spelende kindjes, en het enige verkeer dat er rijdt is een aftandse motor of taxi. Voor mijn werk moest ik regelmatig naar Magbass, het dorpje waar de suikerfabriek staat. Wat heb ik genoten achterop de motor bij paralegal Hassan, met wapperende haren in de bloedhete wind, de geur van de houtskoolvuurtjes waarop wordt gekookt en de kinderen die heel enthousiast “apoto” (blanke) of “Chinese” (de Chinezen zijn zo ongeveer de enige blanken die in deze regio komen) naar me roepen. Wellicht ben ik minder geschikt voor het “luxe” NGO-leven dat ik hiervoor heb geleid. Want ondanks dat ik na zo’n motorritje rood was van het stof, dat ik in Magburaka leef in het Timap-kantoor waar geen water en electriciteit zijn, dat ik mijn kamer en bed deel met paralegal Zainab en dat mijn dieet bestond uit rijst, rijst en rijst heb ik me beter vermaakt dan voorheen. Wie klaagt er over stof als je vervolgens tot groot vermaak van tientallen Sierra Leoners een emmer water uit een put kunt opdiepen? Wat maakt het uit dat er geen stroom is, als je ’s avonds tegen betaling van 25 cent met de rest van het stadje naar een wedstrijd van Arsenal kunt kijken in de enige toko mét een generator? En ach, om acht uur naar bed gaan omdat het vanaf zeven uur pikdonker is, is alleen maar een goede remedie tegen slaapgebrek. Kortom: ik reis met veel plezier nog een paar keer op en neer. Overigens doet zo’n paar dagen “back to basic” me weer realiseren hoe verwend ik ben. Computers zijn er niet in Magburaka (logisch, want er is nooit stroom), zodat mijn collega’s al hun werk met de hand doen. Even iets opzoeken op internet is er niet bij, koken kost godsgruwelijk veel tijd als je eerst een vuur op gang moet zien te krijgen en je wordt heel spaarzaam met water als je voor alles wat je doet een paar minuten moet lopen naar de dichtstbijzijnde put. En toch: heerlijk (voor even dan…).

Tijdens mijn avondlijke gesprekken met mijn collega’s ben ik weer een stukje wijzer geworden over het land en het rechtssysteem. Het laatste is eigenlijk niet bestaand. Rechtszaken worden niet gewonnen door de partij die het recht aan zijn kant heeft, maar door diegene met de dikste portemonnee (voor aanvang van een zitting wordt aan beide partijen gevraagd of ze “de rechter willen begroeten”, wat niets anders betekent dan dat je ‘m een envelopje met geld in zijn hand kunt duwen). Er zijn wel wetten, maar er is niemand die toeziet op de naleving ervan. Slachtoffers van sexueel geweld (en dat komt hier helaas nogal eens voor) kunnen niets ondernemen omdat daarvoor een medisch rapport nodig is, dat zo’n 10 euro kost: een fortuin dat de meesten zich niet kunnen veroorloven. Als je met een probleem bij de politie aanklopt, krijg je te horen dat er alleen een verklaring kan worden opgenomen als je pen en een schrijfblok koopt voor de agent.

Niet zo heel verwonderlijk dus dat Timap for Justice probeert problemen zoveel mogelijk door middel van mediation op te lossen. Ik heb een paar van die sessies bijgewoond: interessant. Bij familiezaken komt niet slechts het ruziënde koppel opdraven, maar komt de hele familie meepraten. Dat gaat gepaard met veel herrie (veel Sierra Leoners praten graag, veel en hard), maar uiteindelijk wordt er bijna altijd een oplossing bereikt. Ook hier is privacy trouwens van ondergeschikt belang: veel ruzies worden uitgevochten of –gepraat in de wachtruimte, waar ondertussen ook nieuwe cliënten binnenwandelen. Niemand die zich daaraan lijkt te storen. Overigens word ik tijdens die gesprekken geconfronteerd met veel klein leed. Ik heb een mediation bijgewoond tussen (de families van) een 16-jarig meisje en haar 35-jarige man, aan wie ze tegen betaling van zo’n 17 euro was uitgehuwelijkt. Het kind zat niet echt op het huwelijk te wachten, maar heeft om haar familie niet teleur te stellen ingestemd. Al snel vond ze uit dat meneer er meerdere vriendinnetjes op nahield, waarop ze boos terugkeerde naar haar ouders. De familie van de man klopte vervolgens bij de ouders van het meisje aan voor terugbetaling van de bruidsprijs, waarop de ouders – die het ontvangen geld inmiddels hadden omgezet in eten – het meisje dwongen weer terug te gaan naar haar overspelige echtgenoot. Het probleem is in overleg opgelost (de bruidsprijs hoeft niet terug), maar hoeveel van dit soort situaties zullen zich niet voordoen in dit land?

Maar goed, er kan natuurlijk niet alleen maar gewerkt worden: voor de broodnodige ontspanning wordt er heel wat afgeborreld en gefeest. Mijn 30e verjaardag vierde ik onder de Afrikaanse zon (dank voor alle mailtjes, telefoontjes, smsjes en andersoortige gelukswensen!). Ik heb niet zo veel met mijn verjaardag, maar deze mijlpaal wilde ik toch niet ongemerkt voorbij laten gaan. Samen met een Britse expat die ook op 2 februari jarig is, heb ik een bbq georganiseerd in een Freetownse strandtent. Bbq-en in februari was een hele nieuwe ervaring, maar die was zodanig geslaagd at ik er wellicht maar een traditie van moet gaan maken 😉

Tot slot nog het volgende in de rubriek “Heel gewoon in Sweet Salone”

– Afrikanen slapen op de meest bizarre tijden en plekken. Straatverkopers doen naast of onder hun koopwaar een dutje, terwijl ik ongemakkelijk probeer mijn spieren te ontlasten tijdens een oncomfortabele busrit zitten de andere passagiers te knikkebollen, en als je ergens moet wachten doe je ondertussen ook even je ogen dicht. Vorige week deed ik mijn werk achter een buro in het deel van het kantoor in Magburaka dat ook dienst doet als wachtruimte. Bezoekers die moesten wachten op een gesprek met een paralegal strekten zich – nadat ze waren uitgestaard naar die vreemde blanke – uit op een houten bankje en deden heerlijk een dutje. Ik werd af en toe opgeschrikt door een onverwachte snurk…

– Het verkeer in Sierra Leone is grotendeels één ongeregeld zooitje. Verkeersregels lijken er niet te zijn en aan stoplichten doen ze hier niet. Het lijkt er echter op dat er in een grijs verleden een lading verkeersborden uit Europa deze kant op is getransporteerd, die lukraak door het land zijn neergeplant. En zo vind je midden in de bush een bord “zebrapad” (een zebrapad is in geen velden of wegen te bekennen), wordt er een ziekenhuis aangekondigd in een plaatsje waar eens per week een verpleegkundige langskomt op een brommer en staat er tegenover een begraafplaats een bord “overstekende schoolkinderen”.

– Ik heb al eens geschreven dat liefde hier nogal wat anders werkt dan wij gewend zijn. Relaties worden vaak meer aangegaan om praktische redenen (huisvesting, geld, familiebanden, kadootjes, etc. etc.) dan omdat de partners elkaar zo graag mogen. Schoolmeisjes slapen met hun leraren voor een hoog cijfer, hebben meerdere vriendjes omdat ze dan meer kadootjes krijgen en waar mogelijk wordt een partner uitgezocht op economische status. Ik trek met mijn witte huid dus nogal wat aandacht. Blank staat voor veel mensen gelijk met geld, visum en/of status, en dus ben ik inmiddels heel geroutineerd in het afwijzen van huwelijksaanzoeken van heren die mij – nadat ze me een keer hebben zien langswandelen – de liefde verklaren. De meesten blijken niet voor één gat te vangen als ik vriendelijk bedank voor de eer, en vragen me even vrolijk of ik niet nog een blanke vriendin heb aan wie ik ze kan koppelen. Vrijwilligers kunnen zich bij mij melden 😉

– En als we het toch over de liefde hebben: de betaalde liefde tiert hier welig. Vooral de gelegenheden in Freetown waar veel expats komen zijn populair onder de prostituees, die veelal uit het aangrenzende – Franstalige – Guinea komen. Onlangs sprak ik in een kroeg hier een Franse expat, die hopeloos door de mand viel toen hij blij opmerkte dat het voor hem zo prettig is dat Sierra Leone Franstalig is. Zijn enige interactie met Afrikanen blijkt die te zijn met de Guineese prostituees…

– De munteenheid in Sierra Leone is de leone. Ooit stond één leone gelijk aan een Brits pond, maar dankzij de inflatie krijg je momenteel zo’n 4000 leones voor 1 euro. Een sinaasappel kost 200 leones, een broodje 500, een taxiritje kost 700 en voor een blikje cola tel je 2000 leone neer (voor een geïmporteerde pot nutella vragen ze overigens 30.000 leone’s, zo’n 8,5 euro dus…). Er zijn muntjes van 50, 100 en 500 leones en briefjes van 1000, 2000, 5000 en 10.000. Het kan dus gebeuren dat je na het wisselen van 100 euro met een plastic zak met 80 briefjes van 5000 naar buiten wandelt. Het meeste geld is al jarenlang in omloop, en dus te vies om aan te raken. Gek genoeg drukt de Sierra Leoonse bank wel af en toe nieuwe briefjes van 5000 en 10.000, maar worden er bijna nooit nieuwe versies van de kleinere biljetten aangemaakt. En dat leidt tot een groot gebrek aan wisselgeld. Taxichauffeurs hebben zelden terug van 5000, en als je twee sinaasappels met een briefje van 1000 wilt betalen, moet de verkoopster hard op zoek naar muntjes. Soms lukt het niet om het benodigde wisselgeld bij elkaar te schrapen, en dan moet er een andere oplossing gevonden worden. Zo eindig ik regelmatig met méér groente, fruit of water dan eigenlijk wilde hebben, simpelweg omdat er geen wisselgeld beschikbaar is.

– Ik heb de afgelopen tijd veel moeite gestoken in het oppikken van Krio. Hoewel ik regelmatig word uitgelachen om mijn blijkbaar erg grappige accent of grammaticafouten, begrijpen mensen me meestal redelijk (althans, die indruk wekken ze). Krio lijkt op het eerste gezicht een vereenvoudigde vorm van Engels, maar blijkt toch echt iets ingewikkelder te zijn. Maar de link met het Engels (met af en toe wat invloeden van het Frans en Portugees) is overduidelijk: a don taya (ik ben moe), i de go walka walka (hij/zij gaat lopen), boku tenki (erg bedankt), awdi body (hoe gaat het) en yu wan for chop (jij wilt eten). Vooral in geschreven vorm vind ik Krio geweldig: ik geniet dagelijks van het uithangbord “wi di pipul of Salone wan klin wata”, maar moest even hardop lezen toen ik bij een bekende hulporganisatie de leus “ol pikin (kind / kinderen) get rait for ple” zag aangeplakt.

– Ik geloof niet dat dat is voorbehouden aan Afrikanen alleen, maar ik loop nogal eens aan tegen het feit dat Sierra Leoners je op een vraag altijd het antwoord geven waarvan ze denken dat je het wilt horen. Als ik de bakker met een lege vitrine vraag of hij ’s middags wél brood heeft krijg ik een bevestigend antwoord, om er ’s middags achter te komen dat de oven het heeft begeven en hij dus die ochtend al wist dat hij een aantal dagen geen handel zou hebben. Op iemand wachten hoeft altijd maar “vijf minuutjes” en op iedere gesloten vraag luidt het antwoord “ja”. En dus kosten conversaties soms nogal wat tijd. De generator op onze compound draait (in ieder geval op papier) ’s avonds tussen 7 en 12. Issa is onze “generatormeneer” die dagelijks om zeven uur langskomt om de generator aan te zetten. Behalve op de zeldzame dagen dat er stroom is, dan hebben we geen generator nodig en is Issa vrij. Vorige week hadden we aan het begin van de avond stroom, maar die hield er om acht uur mee op. Na een half uur was het nog steeds donker, waarop ik maar eens aan één van de guards ging vragen of Issa nog zou komen om de generator aan te zwengelen. De conversatie ging ongeveer als volgt:

Ik: “Issa de cam?” (is Issah in aantocht?)

Guard: “Issa na suppos for cam” (ja, Issa zou moeten komen)

Ik: “Yu don call Issa for cam?” (heb je Issa gebeld om hem te melden dat hij moet komen?)

Guard: “Abdul na suppose for call Issa for cam” (in zo’n situatie moet mijn collega Abdul Issa bellen dat hij moet komen)

Ik: “Abdul don call Issa for cam an switch on generator?” (heeft Abdul Issa dan gebeld om te melden dat hij moet komen om de generator aan te zetten?)

Guard: “A nor know” (ik weet het niet)

Ik “Yu go be able for ask Abdul i don call Issa for cam?” (kun je dan misschien aan Abdul vragen of hij Issa heeft gebeld dat hij moet komen?)

[guard schuifelt weg op zoek naar Abdul en komt vervolgens opgetogen terug]

Guard: “Abdul jus don call Issa for cam” (Abdul heeft Issa nu net gebeld om te melden dat hij moet komen)

Een half uur later arriveerde Issa en hadden we weer licht…

Nieuwe plaatjes op http://fotos.jojannekeinafrika.nl/#4.0.